Generieke maatregelen om de motivatie en interesse van middelbare scholieren voor STEM-richtingen (wetenschap, technologie, engineering, wiskunde) te verhogen, kunnen effectiever zijn wanneer ze rekening houden met de verschillen tussen schoolcontexten en leerlingengroepen. Dit blijkt uit een recente studie van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). De studie toont aan dat verschillen in motivatie, interesse en identiteit ten opzichte van STEM-richtingen, en hun verbanden met onder meer geslacht, studierichting en schoolniveau, niet in elk schoolcontext hetzelfde patroon volgen. De onderzoekers benadrukken daarom het belang van een contextspecifieke aanpak, waarbij algemene STEM-maatregelen voldoende ruimte laten voor aanpassing aan de specifieke schoolcontext en leerlingengroepen.
Deze studie, uitgevoerd door Christophe Kegels onder leiding van professor Valérie Thomas (Brussels Innovation for Learning and Diversity Research Centre, VUB) en in samenwerking met dr. Haydée De Loof (KdG), vergeleek leerlingen uit het vijfde en zesde jaar secundair onderwijs in de regio Kempenrand, nabij Antwerpen. De resultaten tonen aan dat algemene aannames over STEM-motivatie niet systematisch op alle scholen in de praktijk van toepassing zijn. Zo werd in de ene school een duidelijk verschil vastgesteld in STEM-identiteit tussen jongens en meisjes, terwijl dit verschil in een andere, vergelijkbare school volledig afwezig was. De hypothese dat de motivatie voor STEM overal met de leeftijd zou afnemen, bleek eveneens onjuist: in de ene school scoorden zesdejaars inderdaad lager dan vijfdejaars, maar in de andere school waren de interesse en intrinsieke motivatie van de oudste leerlingen juist aanzienlijk hoger.
Volgens onderzoeker Christophe Kegels toont dit duidelijk aan dat elke school als een uniek ecosysteem moet worden beschouwd. Het blindelings inzetten van algemene interventies of de verplichte focus op specifieke doelgroepen, zoals enkel meisjes, kan in sommige scholen zelfs contraproductief werken. 'Als scholen de kwaliteit van het onderwijs en het aantal leerlingen dat naar STEM-richtingen wordt geleid willen verbeteren, moeten ze eerst de specifieke behoeften van hun eigen leerlingen identificeren', legt Kegels uit. 'Een standaardset aan maatregelen werkt simpelweg niet, omdat de beginsituaties van scholen te verschillend zijn.'
Deze studie kadert binnen een breder initiatief onder impuls van professor Hugo Thienpont (B-PHOT VUB) en de Helios Foundation. Om het aantal inschrijvingen in STEM-richtingen duurzaam te verhogen en de impact van initiatieven te meten, wordt een nieuwe STEM-Academie gebouwd in de Zennevallei (onder meer in Gooik). Binnen het doctoraatsprogramma wordt de effectiviteit geëvalueerd voor zowel jaarlijkse buitenschoolse projecten – zoals robotbouw in samenwerking met industriële partners als Siemens, Colruyt Group en Velleman – als voor korte interventies op school.
Om leerkrachten en beleidsmakers direct te ondersteunen met wetenschappelijk onderbouwde tools, werken de onderzoekers van de VUB momenteel aan de finalisering van een praktische gids. Deze gids helpt leerkrachten om effectieve en direct toepasbare pedagogische methoden in hun klas te integreren, aangepast aan de specifieke leerdoelen en de diversiteit van hun leerlingenpopulatie.




